| Actueel

'Iedereen is een leider' - afscheidsinterview Rosa Jansen

Rosa Jansen heeft afscheid genomen als voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Na een carrière van meer dan dertig jaar in de rechterlijke macht, stapte Jansen op 1 september over naar de raad van bestuur van Slachtofferhulp Nederland. Om te blijven leren, zegt ze. Maar, eerlijk is eerlijk, sinds ze in juni van dit jaar afscheid nam als rector van SSR, was ze ook gewoon op zoek naar een nieuwe uitdaging. ‘Eerlijkheid en duidelijkheid hoort bij moreel leiderschap. En daarin zouden we binnen de rechtspraak nog meer kunnen investeren.’

20170907-rosa-jansen-vz-nvvr_px500.jpg#asset:1019


Prisma, de oprichting van de Raad voor de rechtspraak, rechtspraaQ, de herziening van de gerechtelijke kaart (HGK), KEI, ZSM, het einde van de raio opleiding en de (her)inrichting van de rio en oio opleiding, ‘ik heb heel veel mogen meemaken,’ zegt Rosa Jansen ontspannen in het volledig uit glas opgetrokken kantoor van de NVvR in de kantoortoren New Babylon in Den Haag. Transparantie anno 2017. Daar heb ik zeker wat mee, zegt Jansen.

Twee jaar geleden werd ze voorzitter van de NVvR. Uit overtuiging. ‘De NVvR is meer nodig dan ooit. Omdat rechters en officieren van justitie hun werk goed moeten kunnen doen. De vereniging let op het behoud van de rechtsstaat, kwaliteit en werkdruk. De vereniging let er ook op dat de voorwaarden waaronder de leden van de rechterlijke macht hun werk doen toereikend zijn en garanderen dat kwalitatief hoogstaande professionals bereid zijn deze zware beroepen uit te oefenen. En dat alles in het belang van de burger. We zijn geen lobbyisten die het leuk voor zichzelf willen maken, rechters en officieren van justitie houden van nature niet van lobbyen. Maar het behoud van kwaliteit en de aanpak van de werkdruk zijn de afgelopen tijd belangrijke onderwerpen geweest, en nog actueel. De NVvR heeft daarover nadrukkelijk haar zorgen geuit. Dat was nodig.’

‘De kwartiermakers van de Raad voor de rechtspraak stond in 2002 een professionele organisatie voor ogen. Prioriteit 1 was toen: eerst de bedrijfsvoering op orde krijgen, want daar was toen het nodige achterstallige onderhoud. We zijn nu vijftien jaar verder, er is nooit echt meer een goede balans tussen kwaliteit en bedrijfsvoering ontstaan, telkens komt die bedrijfsvoering weer bovendrijven.’  

De professionele standaarden van de diverse rechtsgebieden moet aan die eenzijdige oriëntatie op de bedrijfsvoering toch een einde maken? 

‘Ja zeker. Maar na vijftien jaar kwantitatieve normering lijken rechters en officieren organisatorisch lamgeslagen. Bovendien betekent kwaliteit ook ruimte voor het vak en maatschappelijke effectiviteit. Het is de vraag of de professionele standaard daar meteen wat aan doet. Komt bij dat de invoering van die professionele standaarden inmiddels in verschillende gerechten naar achter is geschoven vanwege het gebrek aan rechters.’

‘In de medische wereld zijn er twee soorten professionele standaarden: één ter onderbouwing van de bedrijfsvoering inclusief het budget en één met de standaarden van de doktoren zelf. Daarin hebben zij eigen verantwoordelijkheid genomen en de normen voor hun vakmanschap vastgelegd. Het management blijft daar verre van. Een dokter weet namelijk het beste hoe hij een operatie moet uitvoeren; hetzelfde geldt voor rechters en officieren van justitie in ons vakgebied. In de rechtspraak verwordt de professionele standaard echter nu al tot een managerial tool. Dat komt, doordat er budget aan gehangen is. En dan komt het terecht in een rekenmodel als één van de variabelen. Dat vind ik jammer. Het is ook de grote zorg van de NVvR. Zelfs bij een tekort aan rechters zouden professionele standaarden niet naar achteren geschoven mogen worden. Een professionele standaard is namelijk iets wat je als professionals samen vaststelt. Hoe oefen je je vak uit? De NVvR denkt erover om de ruimte voor vakmanschap verder op te pakken, vanuit de zorg dat het instrument anders geperverteerd raakt. Net als met de permanente educatie norm is gebeurd. Dat is niets anders dan een puntensysteem geworden. We moeten gewoon kwaliteit garanderen en via deze standaarden zeggen we wat wij daaronder verstaan.’   

Maar wat is dat, kwaliteit? Uit het onlangs gepubliceerde rapport van het HiiL volgt dat het conflict oplossend vermogen van de rechtspraak nogal gering is. De rechtspraak komt maar voor een deel tegemoet aan de behoefte van de burger.

‘Tja, we moeten nadenken over wat kwaliteit is. Over wat we wel en wat we niet moeten blijven doen. Niet voor niets is de NVvR samen met het HiiL over deze vraag een samenwerking aangegaan. Wat kunnen wíj beter doen en wat kunnen we beter aan anderen overlaten. Waar gaan wij over en wat is niet aan of van ons? We struikelen over probleemoplossers in deze wereld en de rechtspraak is meer dan een probleemoplosser. Daar moeten we helder over zijn. En dat vergt leiderschap. Ruth de Bock, raadsheer bij de Hoge Raad, heeft daartoe recentelijk in haar oratie een belangrijke aanzet gedaan. Zij onderscheidt drie kwaliteitseisen – ambachtelijkheid, rechtvaardigheid en effectiviteit – die zij vervolgens uitwerkt in een aantal concrete eisen. Dat zou verder moeten worden bekeken.’  

En is de organisatie van de rechtspraak daarop toegerust?

‘De rechtspraak kan veel aan, maar maakt mijns inziens nog niet voldoende gebruik van alle capaciteiten die men in huis heeft. De rechtspraak is een platte organisatie met heel veel professionals waarboven een smalle top zit van bestuurders die nogal hiërarchisch lijkt. Die top maakt op dit moment nog te weinig gebruik van de werkvloer, vind ik. Ik heb een Belgische managementgoeroe eens horen zeggen dat elke leider die anno nu nog denkt dat hij slimmer is dan zijn medewerkers een probleem heeft. Want de wereld rondom ons verandert zo snel dat je alle kennis van de werkvloer hard nodig hebt. Daar moet je als leider naar luisteren en gebruik van maken. Een van de problemen van de rechtspraak is dat presidenten op cruciale momenten deze wijsheid nog weleens met voeten treden. Maar misschien dat het ook wel te maken heeft met de manier waarop het bestuur van de gerechten is ingericht na de HGK. Een driekoppig bestuur met de president als voorzitter. Die president zit op zijn beurt in het zogeheten PRO, het Presidenten Raad Overleg. Maar zitten ze daar nou als president of als voorzitter van het gerechtsbestuur? Dat is diffuus, terwijl het twee heel andere posities zijn. Als president ben je primair rechter. Als voorzitter van een bestuur doe je in mijn beleving heel andere dingen. Dan ben je niet de beste rechter van de klas, maar dien je een topbestuurder te zijn. Een combinatie is moeilijk mogelijk, alleen al omdat het vrijwel onmogelijk is om je vakmanschap als rechter goed op peil te houden als bestuurder. Een en ander zie je terug in de besluitvorming en het draagvlak daarvoor.’

‘De HGK wordt momenteel geëvalueerd door de commissie Kummeling en wij hebben als NVvR gezegd: geef niet alleen de kleine antwoorden op bedrijfsvoeringsniveau, maar zorg dat daar een helder rapport uitkomt waarin de pijnpunten ná de HGK helder worden benoemd, zodat je er wat mee kunt.’  

En wat zijn wat jou betreft die pijnpunten?

‘Wat mij betreft zou de Rechtspraak nog wel het nodige aan slagkracht kunnen winnen. In dat verband begrijp ik het recente rapport van het HiiL wel. Voordat wij tot actie komen, zijn er al veel mensen aan het woord geweest. Daarin heeft de HGK geen echte verbetering gebracht. Ik verlang weleens naar de Rechtbank Nederland met één strakke leiding om de grote issues te kunnen aanpakken. Anderzijds zou je met de huidige structuur hetzelfde moeten kunnen bereiken, mits je niet overal over wilt meepraten. Ik denk persoonlijk ook dat je als rechterlijke organisatie flexibeler moet worden. Als er ergens een tekort is aan rechters, dan reis je erheen. Alleen moet je dat organisatorisch goed inbedden. De rechtspraak zal de komende vijftien jaar heel anders gaan functioneren. Door de digitalisering, maar ook door allerlei andere ontwikkelingen. Er zijn mensen die denken dat de rechtspraak een soort platform wordt. Dat weet ik niet, maar we moeten het er wel over hebben. En daar moeten we de werkvloer uitdrukkelijk bij betrekken. Daarin heeft de NVvR een actieve taak. Neem de werkdruk. Dat zit niet alleen in het aantal gemaakte uren. Wat rechters vooral ervaren als werkdruk is het gebrek aan zeggenschap. Dat ze niet zelf mogen beslissen hoe ze hun zitting plannen. Dat ze geen ruimte mogen pakken in de manier waarop zij hun zaken afwikkelen. Of dat ze gedwongen worden te rouleren. Ze missen ruimte. Ze ervaren noch de fysieke noch de intellectuele ruimte om hun werk goed te doen. Daar komt bij dat mensen op de werkvloer moeten leren dat ze onderdeel uitmaken van een organisatie en daar verantwoordelijkheid voor dragen. Iedereen is een leider.’  

Binnen de organisatie is het een tijdje nogal onaangenaam geweest. Het manifest van Leeuwarden, de beweging Tegenlicht…

‘Ja, en dat komt omdat de afstand tussen de werkvloer en de leiding te groot is geworden. In de rechterlijke macht blijkt tegenspraak moeilijk te worden geduld. Ik was nog geen twee dagen voorzitter van de NVvR toen het MJP (meerjarenplan, MS) en het locatiebeleid in de Tweede Kamer werden besproken. Bepaalde gerechten zouden wellicht op termijn worden gesloten, rechters kwamen daartegen in het geweer en gingen in toga de straat op. Niemand was op die plannen voorbereid, het was een overval op een bepaalde manier. Wij als NVvR uitten dat standpunt en wilden daarover het gesprek aangaan, maar opeens bleek dat we ons daarmee buiten de cirkel van de rechterlijke bestuurders plaatsten. Nog een voorbeeld: toen wij zeiden dat er een tekort aan rechters was, hoorden we vanuit de bestuurders vooral ‘is niet zo’, ‘het vermeende tekort’ en ‘het is geen tekort maar een nog niet ingevulde uitbreiding’. Dat soort reacties. Gelukkig staat nu het onderwerp prominent op de agenda van de bestuurders in de rechtspraak. Na de primaire verdedigingsreactie komt dan toch de redelijkheid tevoorschijn. Maar waarom werden onze opmerkingen meteen terzijde geschoven? Terwijl, je moet toch het gesprek aandurven met je eigen mensen? Je mag toch hopen dat de werkvloer goed is vertegenwoordigd? Ook wat dat betreft is de NVvR meer nodig dan ooit. Als de vereniging niet zou bestaan, zou ik haar uitvinden. Wij worden soms gezien als een lastige vlo in de voortgang van het (bedrijfsvoerings)proces, maar de organisatie zou blij moeten zijn met zo’n kritische meedenker. Het is eigenlijk ook raar dat geen van de vertegenwoordigingsorganen binnen de rechtspraak – de NVvR, het College van afgevaardigden en de Centrale ondernemingsraad – formeel spreken met het PRO. Daar vindt uiteindelijk alle besluitvorming plaats. Daar moeten dus ook rechtstreeks tegengeluiden weerklinken.’  

Ik hoor dat de Raad voor de rechtspraak op dit moment erg zijn best doet om in gesprek te komen met de achterban.

‘De Raad doet goede dingen, dat moet absoluut gezegd worden. We zouden als rechtspraak niet in de internationale top ranking staan zonder de inspanningen van de Raad. Ik vind dat een rechter in een arrondissement die wil klagen eerst naar zijn bestuur moet stappen in plaats van de Raad meteen overal de schuld van te geven. Maar het lijkt erop dat de gerechtsbesturen en de Raad elkaar in een ingewikkelde greep houden. Ik hoor regelmatig van gerechtsbestuurders of uit gerechten dat iets “moet van de Raad”. Hoezo? Als je op dat niveau bestuurt, moet je toch je eigen verantwoordelijkheid nemen. Wat dat betreft kan de evaluatie van de Commissie Kummeling wel wat opleveren of de uitkomsten van het nieuwe medewerkerswaarderingsonderzoek.’  

Het nadeel van dergelijke evaluaties is dat iedereen in de top nu dus vooral met zichzelf bezig is. En niet met de organisatie, laat staan met de kwaliteit van de rechtspraak.

‘Het speelt wellicht een rol. Maar elke bestuurder kent termijnen. Dat is eigen aan besturen. Een bestuurder is speciaal geselecteerd, wordt ervoor betaald en dat betekent dat hij of zij ook verantwoordelijkheid moet nemen. Dat is overal zo, buiten de rechterlijke macht én daarbinnen.’  

Hoe zie je de ontwikkelingen bij het OM? Want als we het over werkdruk hebben…

‘Het OM heeft inderdaad ook z’n aandachtspunten. In die zin zijn ze vergelijkbaar met de Rechtspraak. Zeker werkdruk is een zorgelijk punt. Als je hoort wat officieren wat justitie wekelijks aan werk moeten verzetten, is het zeker niet te veel gevraagd om daar eens nadrukkelijk naar te kijken. Op die manier pleeg je roofbouw op je organisatie. Officieren van justitie zullen zelf niet snel klagen. Daar staat tegenover dat het OM heel goed is in innovatie. Alleen, veel wordt in pilots gestopt en als dat er teveel worden, kan dat de organisatie ontwrichten. Je moet durven kiezen. ZSM, assistent-officieren of adjunct-officieren die op schaal 9 binnenstromen, allemaal pilots… Van mij mag veel, ik vind innovatie nodig. Maar héb je het allemaal wel goed doordacht, ís het met de vertegenwoordiging besproken en kán de organisatie het allemaal wel aan?’  

Rechters en officieren van de werkvloer weten vanuit hun dagelijks werk dat mensen vooral gehoord willen worden. Ook al krijgen ze geen gelijk. Luisteren, daar gaat het om. Is het dan te cynisch om te stellen dat de enige die dat maar moeilijk kan, de organisatie van de rechtspraak en het OM zelf zijn.

‘Er is wél een omslag gemaakt. Werkdruk staat hoog op de agenda. De aanbevelingen over ZSM die de NVvR ophaalde in de rondgang langs parketten zijn opgepakt. Er wordt nu echt al beter geluisterd. Er moet alleen her en der nog wel wat vertrouwen hersteld worden. Houdt men dan op de cruciale momenten de kaarten wat minder tegen de borst en gaat men vooraf juist wat meer ophalen in plaats van achteraf uitleggen? Dat is de vraag. Ik heb bij SSR veel aan leiderschapstraining gedaan en een van de elementen die ik daar heb ingebracht is moreel leiderschap.’  

En wat versta je daaronder?

‘Dat is niet in een paar woorden samen te vatten. Voor mij is het belangrijkst dat een leider aanspreekbaar is op zijn verantwoordelijkheid en transparant in zijn beslissingen. En ook dat hij zich bewust is van zijn machts- en gezagbasis en daarmee zuiver omgaat. Dat hij dus eerlijk en duidelijk naar zijn organisatie is. Ik denk dat er wel wordt geluisterd, maar je hebt luisteren en luisteren.’  

‘Ik hoor wat u zegt’ is niet luisteren.

‘Dat bedoel ik. En ‘ik leg het nog één keer uit’, ook niet. Ik denk erg positief over de mensen die in de organisatie werken, al is het goede gesprek nog niet overal voldoende op gang gekomen. En dat betekent dat je zo goed moet leren luisteren dat je er verder mee komt. Lerend luisteren, dat is de ultieme vorm van gespreksvoering. Dat doen we nog niet, of niet voldoende. Binnen de rechtspraak wordt geluisterd zoals we op zitting zitten. We luisteren wel, maar selecteren daaruit alleen de feiten die we nodig hebben om tot een beslissing te komen. Dat zie je terug in de bestuurskamer van de rechtspraak. We moeten naar een ander niveau van gesprekvoering.’  

Eerlijk en duidelijk zijn hoort bij moreel leiderschap, zeg je. Jij gaat na twee jaar weg als voorzitter van de NVvR, terwijl er een termijn van drie jaar geldt. Waarom ga je weg?

‘De termijn van mijn hoofdfunctie als bestuursvoorzitter van SSR eindigde. Voorzitter van de NVvR is een nevenfunctie, gekoppeld aan de rechterlijke macht. Het is niet te combineren met mijn nieuwe functie als bestuursvoorzitter van Slachtofferhulp Nederland; een functie die ik nadrukkelijk ambieer. Een en ander was bij het aanvaarden van mijn voorzittersfunctie NVvR nog niet te voorzien.’  

Dat is eerlijk. En wat betekent duidelijk?

‘Duidelijkheid betekent: zeggen waar het op staat. Niet zeggen dat er geen tekort aan rechters is, maar dat de rechtspraak wel gaat uitbreiden. Dat snapt niemand. Geef toe dat het strategisch personeelsbeleid gewoon nog niet op orde is. Want er is geen reële uitbreiding van zaken geweest. Los het op. Praat er niet te lang over. We praten echt teveel over de bedrijfsvoering. Ook rechters.’  

Wat laat je achter bij de NVvR?

‘We hebben veel gedaan. De professionele standaarden, de tekorten aan rechters en officieren van justitie, de wetgevingsadvisering, de evaluatie van de HGK, de cao en we werken nog aan een incompatibiliteitenregeling voor iedereen binnen de rechtspraak, zeg maar de ethische gedragscode. De rechtspraak heeft zo’n leidraad, de NVvR heeft er een en het OM, maar we willen die integreren tot een heldere code voor iedereen; hoe gedraag je je, welke nevenfuncties zijn wel of niet toelaatbaar, dat soort dingen. Dat blijkt overigens nog niet zo makkelijk. Protocollen en regels zijn lastig met juristen, want iedereen heeft altijd nog drie komma’s aan te vullen. Maar goed, er wordt aan gewerkt.’

‘Internationaal hebben we echt veel gedaan, want er is nogal wat aan de hand als het gaat om de rechtspraak in Europa en in de wereld.’  

Is dat laatste niet het belangrijkste onderwerp momenteel? Polen, Turkije, Hongarije laten zien dat het snel kan gaan met de democratische rechtsstaat. Politici hebben het her en der over neprechtbanken, sommige burgers vinden dat de rechtspraak ook maar een mening is… Moet de rechtspraak zich daar niet mee bezighouden in plaats van te steggelen over de organisatie?

‘Internationaal zijn wij als NVvR heel actief. Via de European Association of Judges hebben we Juncker, de voorzitter van de Europese Commissie, bijvoorbeeld een brief geschreven over de situatie in Polen. Ten aanzien van Trump en zijn opmerkingen over de rechterlijke macht hebben we ons ook geroerd, alsmede tegen Turkije. Uit de achterban heb ik daarover wel kritische geluiden gehoord – “moet dat nou?” – maar ik denk: op een gegeven moment moet je een vuist maken. Buitenlandse ontwikkelingen dwingen ons ook om kritisch te kijken naar de binnenlandse situatie. We mogen de rechtsstaat niet laten vernachelen.’  

Ben je daar bang voor?

‘Nederland is een oude democratie, ik geloof dat we veel aankunnen. Maar het is geen vanzelfsprekendheid. Daarom vind ik het ook zo belangrijk contact te hebben met burgers. Niet alleen rechters verdedigen de rechtsstaat, dat doen mede de burgers.’

Wat ga je missen nu je de rechterlijke organisatie verlaat?

‘Als voorzitter van Slachtofferhulp Nederland zal ik nog steeds veel te maken hebben met de rechtspraak en het OM. Ik hoop mijn ervaringen te kunnen spiegelen. Teruggeven wat ik straks in een andere rol tegenkom. Dat kan de kwaliteit van de rechterlijke organisatie alleen maar ten goede komen. De rechterlijke macht zal altijd belangrijk voor mij blijven. Het is niet zonder reden dat ik er zo lang met veel inzet en plezier gewerkt hebt.’