Wetgevingsadviezen

OM-afdoening (Wijziging Besluit OM-afdoening)

Bij brief van 14 juli 2011 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak verzocht advies uit te brengen over het daarbij gevoegde ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit OM-afdoening en enkele andere besluiten in verband met de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking.

Handhavingsinstrument

Volgens de conceptnota van toelichting strekt dit ontwerpbesluit tot invoering van de strafbeschikking op grond van artikel 257ba van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), zijnde de bestuurlijke strafbeschikking. De in het besluit aangewezen lichamen of personen met een publieke taak belast, beschikken hiermee over een strafrechtelijk handhavingsinstrument waarmee zij zelfstandig een geldboete kunnen opleggen. Dit heeft ten doel een efficiëntere en effectievere handhaving mogelijk te maken, doordat eenvoudige overtredingen op basis van een door een buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: BOA) opgemaakt verkort proces-verbaal, gestandaardiseerd en geautomatiseerd strafrechtelijk kunnen worden afgedaan.

Rolverdeling

Het ter advisering voorgelegde ontwerpbesluit behelst in hoofdzaak een uitbreiding van het Besluit OM-afdoening. Het Openbaar Ministerie houdt slechts toezicht op de juridisch-technische juistheid van de strafbeschikking. Hiermee wordt beoogd de rolverdeling in de handhaving tussen bestuur en OM te verduidelijken. Voorts blijkt uit de toelichting op het ontwerpbesluit dat de verwachting is dat de efficiëntie van de handhaving van het milieurecht en andere onderdelen van het ordeningsrecht wordt vergroot door het invoeren van de bestuurlijke strafbeschikking.

Kritische distantie

De NVvR is van mening dat door de verschuiving van de handhavingstaak naar bestuurlijke overheden, er een groot beroep wordt gedaan op deze besturen. Zij moeten in voorkomende gevallen immers vergunningverlener, toezichthouder en handhaver zijn. Dat vergt relevante kennis en deskundigheid, alsmede een noodzakelijke kritische distantie tot het eigen optreden ingeval van oplegging van strafbeschikkingen. Op deze wijze worden aan één en dezelfde functionaris verschillende taken en bevoegdheden toegekend. De NVvR is van mening dat deze combinatie van functies een grote wissel trekt op besturen, om zonder aanziens des persoons in strafrechtelijke aangelegenheden te opereren. Deze combinatie acht de NVvR daarom uit het oogpunt van zuiverheid en verantwoording onwenselijk. De NVvR vraagt zich daarbij af of het OM ook op dit punt in staat zal zijn, toezicht te houden op de wijze waarop het bestuur gebruik maakt van zijn strafbeschikkingsbevoegdheid.

In het advies in de bijlage maakt de NVvR nog enkele andere kritische opmerkingen ten aanzien van de wijzigingen op dit wetsvoorstel.