Wetgevingsadviezen

Bestuursrechter (Wetsvoorstel Elektronisch verkeer met de bestuursrechter)

De Minister van Justitie heeft de NVvR op 18 december 2007 om advies gevraagd over het conceptwetsvoorstel Elektronisch verkeer met de bestuursrechter. De NVvR sluit zich daarvoor aan bij het advies van de Raad voor de Rechtspraak van 25 april 2008. Vanuit de zelfstandige positie die de NVvR bekleedt, wil de NVvR nog wel aandacht vragen voor twee punten.

Interpretatie

In het advies is aangegeven dat van belang zal zijn hoe de diverse appèlinstanties en de cassatierechter artikel 2:16 van de Awb zullen interpreteren. Interpretatieproblemen door (verschillen tussen) de diverse bestuursrechters zijn niet uitgesloten. De NVvR zou hier ter verduidelijking aan toe willen voegen dat de vier hoogste colleges (RvSt, CRvB, CBb, HR-belastingrecht) via artikel 2:16 Awb de bepalingen van de artikelen 15a en 15b van boek 3 BW moeten gaan interpreteren. Zij zullen ieder voor zich de vraag moeten beantwoorden hoe de identiteit van de indiener van stukken moet worden vastgesteld en de authenticiteit van de elektronische handtekening onder een beroepschrift kan worden gewaarborgd.

Argumenten

Verder heeft de Raad in zijn advies aangegeven dat artikel 2:15, vierde lid een potentiële bron van problemen vormt als de fatale termijn in het geding is. Om die reden heeft de Raad voorgesteld hiervoor een regeling in een AMvB vast te leggen. De NVvR onderschrijft dit, maar is tevens van oordeel dat er meer argumenten zijn die het noodzakelijk maken om in de wet zelf of in een AMvB duidelijkheid te verschaffen. Allereerst betreft het de hierboven vermelde problematiek van artikel 2:16 en de interpretatie van de artikelen 15a en 15b van boek 3 BW. Daarnaast ontstaat er een probleem wanneer meer partijen in een zaak betrokken zijn en één partij wel elektronisch wil procederen en de andere partij niet. Daarvoor moet de wet- of regelgever een oplossing bieden. Een procesregeling is hier niet voor bedoeld, omdat een gerecht niet zelf de toegang tot de rechter kan/mag invullen. Tot slot wijst de NVvR op de relatie tussen artikel 2:17 Awb en artikel 6:9 Awb, die problemen op zou kunnen leveren. Thans wordt in artikel 2:17 Awb de ontvangsttheorie gevolgd, terwijl artikel 6:9 Awb bij verzending per post uitgaat van de verzendtheorie.