Wetgevingsadviezen

Beslagvrije voet (Vereenvoudiging beslagvrije voet)

Het wetsvoorstel strekt tot uitwerking van de voorstellen van het kabinet die in de hoofdlijnennotitie aan de Tweede Kamer van 23 december 2015 zijn geschetst, met welke voorstellen het kabinet beoogt de beslagvrije voet tot een transparante en herkenbare norm te maken voor zowel schuldenaren als schuldeisers. Met het wetsvoorstel wil het kabinet de bestaande problemen vanwege samenloop van beslagen beteugelen door wijzigingen in het proces van beslaglegging aan te brengen, waardoor beslagleggende partijen beter van elkaars incassoactiviteiten op de hoogte zijn.
Uit de memorie van toelichting blijkt dat de voorgestelde wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ook doorwerken bij andere vormen van incasso.

Definities

  1. De verwijzing in het voorgestelde artikel 475ab Rv naar begrippen in de Pw, zoals “echtgenoot” en “geregistreerd partner” wekt onterechte de indruk dat definities worden overgenomen uit de Pw, terwijl artikel 3 Pw geen definities, maar alleen gelijkstellingsbepalingen bevat;
  2. Het enkele verwijzen naar de begrippen “echtgenoot” en “ geregistreerd partner” uit artikel 3 Pw maakt niet duidelijk dat is bedoeld het inkomen en het vermogen van personen die ongehuwd en ongeregistreerd een gezamenlijke huishouding voeren met een debiteur te betrekken bij de berekening van diens beslagvrije voet. Deze intentie kan beter in een afzonderlijk artikel worden opgenomen, of anders in voorgesteld artikel 475 Ab Rv. Het begrip ‘gezamenlijke huishouding” verdient in ieder geval een expliciete vermelding in dit voorgestelde artikel;
  3. De gekozen redactie van artikel 475ab Rv roept veel reacties op. De NVvR adviseert het gehele artikel 3 Pw van toepassing te verklaren indien ervoor wordt gekozen het begrip “gezamenlijke huishouding” van toepassing te verklaren in het executierecht;  
  4. Uit het wetsvoorstel blijkt niet waarom toepassing van de ‘gezamenlijke huishouding’ (naast de gelijkstelling van geregistreerd partners met gehuwden) in het executierecht noodzakelijk is. Dit ware nader te onderbouwen in het wetsvoorstel;
  5. Het aanwezig zijn van een ‘gezamenlijke huishouding’ is doorgaans niet eenvoudig vast te stellen. De NVvR vraagt zich af hoe de crediteur, die geen onderzoeksbevoegdheden heeft, hiertoe in staat moet worden geacht en of daarmee de voorgestelde regeling wel uitvoerbaar is.
  6. Voorgesteld artikel 475fa Rv levert mogelijk een extra belasting voor de rechtspraak op vanwege de weinig toegankelijke formule voor de herberekening van de beslagvrije voet.