Wetgevingsadviezen

Rechtsbijstand (Ontwerpbesluit aanwijzing van overtredingen waarbij het recht op rechtsbijstand niet van toepassing is)

Bij brief van 24 oktober 2016 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie de NVvR gevraagd om advies over het ontwerpbesluit houdende aanwijzing van overtredingen waarbij het recht op rechtsbijstand niet van toepassing is.

Lichte overtredingen

Volgens de nota van toelichting worden overtredingen aangewezen waarvoor het recht op toegang tot een raadsman niet geldt indien de staande gehouden verdachte ter plaatse wordt verhoord en deze overtreding met een strafbeschikking zal worden afgedaan. Deze mogelijkheid vloeit voort uit artikel 28ab Sv. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L294) (hierna: de richtlijn). De richtlijn laat in artikel 2, vierde lid, ruimte aan de lidstaten om bij lichte strafbare feiten – naar Nederlands recht overtredingen – het recht op toegang tot een raadsman niet van toepassing te doen zijn bij buitengerechtelijke afdoening van die feiten.

Strafrechter

De NVvR meent dat zich problemen kunnen voordoen ingeval een verdachte een inhoudelijke reactie wil geven of vragen heeft, in verband waarmee hij aangeeft een advocaat te willen raadplegen en van het recht daarop geen afstand heeft gedaan. In dat soort zaken is er een reële mogelijkheid dat de verdachte in verzet komt tegen de strafbeschikking. Ook in andere gevallen kan verzet worden ingesteld. Na een zodanig verzet wordt het strafbare feit niet buitengerechtelijk afgedaan, maar moet de strafbeschikking in samenhang met het achterliggend dossier (waarin zich de door de verdachte zonder rechtsbijstand afgelegde verklaring bevindt) door de strafrechter worden beoordeeld. De NVvR vraagt zich af wat de bewijskracht is van deze door een verdachte afgelegde verklaring, zowel indien een verdachte nadrukkelijk heeft gevraagd om consultatiebijstand van een advocaat als wanneer hij van dat recht niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan. Indien het voorgenomen besluit in de huidige vorm wordt gehandhaafd, dient in de nota van toelichting aandacht te worden besteed aan dit voor de rechtspraktijk belangrijke punt.