Wetgevingsadviezen

Deskundigen (Advies inzake het ontwerpwetsvoorstel inzake de positie van de deskundige in het strafproces)

De Minister van Justitie heeft de NVvR op 30 maart 2006 om advies gevraagd over het ontwerpwetsvoorstel inzake de positie van de deskundige in het strafproces. Het ontwerpwetsvoorstel heeft tot doel de regeling van de deskundige in strafzaken te verbeteren en aan te vullen. Het beoogt in het bijzonder de positie van de verdediging te versterken en kent aan de verdachte het recht toe om te verzoeken om een tegenonderzoek.

Evenwicht

Verder bedoelt het voorstel de eerder in gang gezette ontwikkeling voort te zetten om de toepassing van de bevoegdheden van de rechter-commissaris ook buiten het verband van het gerechtelijk vooronderzoek mogelijk te maken. De positie van de rechter-commissaris wordt hierdoor versterkt. Dit draagt bij, aldus de ontwerpmemorie van toelichting, tot het bereiken van een beter evenwicht tussen de toepassing van dwangmiddelen en de uitoefening van bevoegdheden door het openbaar ministerie enerzijds en de mogelijkheden van de verdediging om wezenlijk invloed uit te oefenen op de onderzoekshandelingen en het vergaren van onderzoeksresultaten in het vooronderzoek anderzijds.

Aangeleverde informatie

De NVvR heeft kennis genomen van de beweegredenen voor een nadere regeling van de positie van de deskundige in het Wetboek van Strafvordering. De NVvR onderschrijft dat een goede en evenwichtige wettelijke regeling van de inschakeling van deskundigen gewenst is: in het strafrechtelijk onderzoek wordt dikwijls gebruik gemaakt van deskundigen. Hoewel de rechter uiteindelijk zelf oordeelt, doet hij recht mede op basis van de door de deskundige aangeleverde informatie. Mede in het licht van het onderzoek dat reeds is gedaan in het kader van het onderzoeksproject Strafvordering 2001, geeft de doelstelling van het wetsontwerp geen aanleiding tot verdere opmerkingen.

Duidelijkheid

Dit is anders voor de wijze waarop een en ander in het thans voorliggende ontwerp is uitgewerkt. Het ontwerpwetsvoorstel biedt, overeenkomstig zijn doelstelling, een versterking van de mogelijkheden voor de verdediging om betrokken te worden bij de aanwijzing van een deskundige en het onderzoek door de deskundige. Daartegenover staat echter, dat de voorgestelde regeling versnipperd raakt over het Wetboek, in enkele opzichten inbreuk maakt op de systematiek van het Wetboek en overigens niet in alle opzichten de rechtspraktijk de gewenste duidelijkheid en consistentie biedt.

In de bijlage worden deze kanttekeningen nader toegelicht.